01.01.2005
Auteurs | Hall, P.
Jaar | 1988
Uitgever | Blackwell Publishers
Plaats | London
Onderwerp | Stedelijke planning, stedelijke geschiedenis
In het boek komen de groei en ontwikkeling van steden over de hele wereld aan bod.
Veel steden zijn vandaag de dag bezig met hun imago als creatieve woon- en werkplaats. Het idee van de creative city is de jongste loot in het denken over stedelijke ontwikkeling en planning. Geloof in de maakbaarheid van de stad is een laat negentiende-eeuwse reactie op de verpaupering van de Europese en Amerikaanse industriële steden in die tijd.
Opvallend is dat stedelijke planning vaak de technologische veranderingen in de samenleving volgt en deze tegelijkertijd probeert te sturen. Technologieën van de 'fysieke mobiliteit' (auto, snelweg, openbaar vervoer) maakten suburbanisatie mogelijk en de scheiding van wonen en werk. Vooral in Amerika ontvluchtte de opkomende middenklasse de verloederde stadscentra in ruil voor het lichte en schone buitenleven aan de randen van de stad. Technologieën van de 'virtuele mobiliteit' (internet, mobiele communicatie) gaven voeding aan het denken over de 'netwerkstad': de stad als node of hub in een wereldwijde flow van goederen en ideeën (Castells 1996). Eind jaren tachtig ontstaan er stedelijke clusters rond technologie, met als prototype Silicon Valley. Zou de huidige nadruk op cultuur en creativiteit in het urbane discours een reactie zijn op deze technologische dominantie in stedelijke ontwikkeling?
De kerngedachte van urbane planning is dat de wijze waarop de stad is ingericht bepalend is voor de sociale samenstelling van zijn bevolking. Ook in het idee van de creative city zien we dit terug. Een aantrekkelijke en tolerante stad trekt creatieve mensen aan: wetenschappers, artiesten, hogere technici, ontwerpers, opiniemakers, etc. Deze nieuwe 'creatieve klasse' ( Florida 2002), zo is de aanname, is goed voor de economie van de stad. In het artikel "Wonen in de creatieve stad" ontkracht onderzoeker Martijn Arnoldus het idee dat alle creatievelingen behoren tot de sociaal-economische bovenlaag. Veel kunstenaars zijn juist relatief arm. Florida's 'creatieve klasse' dient verder gedifferentieerd te worden. De stedelijke orientatie van verschillende beroepsgroepen varieert namelijk nogal, zo laat Arnoldus zien. Hoogleraren kiezen voor andere woonplekken dan bijvoorbeeld ICT-ers of kunstenaars.
Hamvraag voor veel steden is: hoe kun je een atmosfeer creëren die de creatieve klasse aantrekt en bindt? Amsterdam heeft dit o.a. gedaan door locaties aan te wijzen als culturele broedplaats. Dit zijn plekken waar kunstenaars en creatieve ondernemers goedkoop kunnen wonen en werken. Zij dreigen immers door steeds stijgende huurprijzen en opruimen van kraakpanden zonder woon- en werkplek te zitten. In de artikelen "Creatieve Rommelzones" en “A Discovery of...” beschrijft Arnoldus de spanning tussen de maakbaarheidsgedachte achter de culturele broedplaatsen en de ongereguleerde 'vrijplaatsen' uit de krakersscene. Hoe kun je creativiteit reguleren?
Leerzaam in het kader van deze schijnbare tegenstelling is het historische standaardwerk over urbane planning van Peter Hall "Cities of Tomorrow: an intellectual history of urban planning and design in the twentieth century" (1988). Volgens Hall zijn er slechts enkele belangrijke visies geweest, vaak verbonden met één hoofdfiguur. In de geschiedenis van de stedelijke planning zijn ideeën in gewijzigde vorm telkens opnieuw teruggekomen, zegt Hall. De geschiedenis van de stedelijke ontwikkeling kent een voortdurende spanning tussen regulering en 'anarchie'. Hall laat zien dat een aantal grote planningsidealen in een romantische, bijna anarchistische traditie staan. Dit geldt voor de garden-city van Howard (1850-1928) en in sterkere mate nog voor de regionale stad van Geddes (1854-1932), ideeën met een sterke nadruk op individuele vrijheid, natuurlijke omgeving en autarkie. Hiertegenover staan de alomvattende visies op de nieuwe stad. Een bekende proponent is Le Corbusier (1887-1965), die pleitte voor het neerhalen van oude stadscentra ten behoeve van grootschalige modernistische gebouwen, open ruimtes en vrije verkeerscirculatie.
In Amsterdam was het modernistische denken populair in de wederopbouw van de jaren zestig en begin '70, ten tijde van de aanleg van de metro en het vernieuwen van de buurten langs het traject. Het resultaat van dit totalitaire denken werd in de volksmond 'Sovjet-stijl' genoemd, met het Maupoleum als icoon. Al snel echter kwam een tegenbeweging die pleitte voor behoud van de oude binnenstad en het combineren van kleinschalig wonen en werken. Zoals standbeelden van dictators neergehaald worden na hun val, zo moest ook het Maupoleum tegen de vlakte. Grote visies op de stad waren jarenlang taboe.
De ironie is dat het idee van de broedplaatsen voortkomt uit deze kleinschalige en zelfvoorzienende visie op de stad. Nu creativiteit echter wordt opgenomen in een grotere economische stedelijke visie, en de voormalige vrijplaatsen ineens culturele broedplaatsen worden, neemt het verzet toe. Vrijheid en tolerantie, eigenschappen die de creatieve klasse aantrekkelijk vindt aan de stad, botsen met de van bovenaf gestuurde ontwikkelingsplannen. Er ontstaat een groeiende polarisatie tussen de voorstanders van het broedplaatsenbeleid (overheden en marktpartijen) en de tegenstanders (met name uit de krakersscene). Andere steden dan Amsterdam willen ook broedplaatsen, bijvoorbeeld Eindhoven, Arnhem, Groningen. Mensen die op zoek zijn naar ateliers steunen de broedplaats. Mensen die niet zozeer bezig zijn met alleen kunst en creativiteit in economische zin maar veeleer met experimentele woonvormen en leefstijlen beschouwen de term broedplaats inmiddels als een scheldwoord. Bij de evaluatie van het huidige broedplaatsenbeleid in Amsterdam dreigen de vrijplaatsen het onderspit te delven. De slag om de creatieve stad is nog niet beslist. Het verzet tegen "de vertrutting" krijgt steeds meer steun, ook buiten krakers-kringen. Daarover is iedereen het dan weer hartgrondig met elkaar eens.
Leesbaarheid | ++++
Theoretisch belang | +++++
Praktische bruikbaarheid | +++
Recensent: Michiel de Lange



































