31.12.2009
Auteurs | Smiers, Joost en Van Schijndel, Marieke
Jaar | 2009
Uitgever | BOOM juridische uitgevers
Plaats | Den Haag
Onderwerp | Auteursrecht, creatieve economie
Het in juli 2009 verschenen essay 'Adieu Auteursrecht vaarwel culturele conglomeraten’ van de politicoloog Joost Smiers en de cultuurwetenschapper Marieke van Schijndel is door velen geprezen als een verfrissende bijdrage aan het debat rondom auteursrechten. Op 10 juni vond in de Balie in Amsterdam naar aanleiding van de publicatie een debat plaats over 'nieuwe (impliciet: niet op het auteursrecht gebaseerde) businessmodellen in de kunsten'. Jammer genoeg draagt het boekje noch constructief bij aan het debat over het auteursrecht noch aan de zoektocht naar nieuwe businessmodellen.
Smiers en Van Schijndel vertrekken vanuit de constatering dat het auteursrecht niet meer aan de eisen van deze tijd voldoet. Dat is een uitgangspunt waarin tegenwoordig zo'n beetje iedereen zich kan vinden (Kamercommissies, grass roots-activisten, hoogleraren en de entertainmentindustrie), maar waaruit iedereen een andere conclusie trekt: 'downloaden strafbaar stellen!', 'auteursrechtelijke bescherming beperken!', 'een nieuwe balans vinden!', 'downloaders van het internet verbannen!'. Van Schijndel en Smiers voegen hier nog een nieuwe variant aan toe: Het auteursrecht in zijn geheel afschaffen!
Op zich is dat nog niet zo'n gekke gedachte, want het huidige auteursrecht veroorzaakt steeds meer collateral damage (verweesde werken, ontoegankelijke archieven, onbegrip bij de jeugd) zonder echt een effectieve bijdrage aan het economisch bestaan van kunstenaars en andere creatievelingen te leveren. In het eerste hoofdstuk presenteren Smiers en Van Schijndel 'een opeenstapeling van argumenten tegen het auteursrecht' maar laten ze ook zien waar volgens hun de kern van het probleem zit: Die zit namelijk bij de 'culturele conglomeraten' en vooral in het feit dat zij het auteursrecht gebruiken om 'de volledige inhoudelijke controle te kunnen uitoefenen over hoe een werk in de samenleving functioneert'. Uiteindelijk voeren Van Schijndel en Smiers hier geen betoog tegen het auteursrecht an sich, maar trekken ze ten strijde tegen de grote (Amerikaanse) culturele conglomeraten, omdat deze in hun ogen ons culturele leven domineren en op basis van het auteursrecht en hun 'mateloze' marketingbudgetten alle andere cultuur en kunst marginaliseren.
Dat is een veel fundamentelere benadering dan wat men in de discussies over de rol van het auteursrecht en de creatieve industrie gewend is. Hun analyse vertoont veel gelijkenissen met de analyses van de globaliseringcritici uit de beginjaren van het millennium: Het probleem is de dominante marktpositie van 'zielloze multinationals' die in hun streven naar winstmaximalisatie kleinschalige lokale marktdeelnemers verdringen. Het boek van Van Schijndel en Smiers is dan ook geen boek over het auteursrecht, maar een boek dat het auteursrecht als analytisch kader gebruikt om de dominantie van grote conglomeraten op het terrein van de culturele productie aan de kaak te stellen (dit doet eerder denken aan José Bové dan aan Lawrence Lessig).
Terug naar de inhoud van het boekje en dan concreet naar de stelling van Van Schijndel en Smiers dat het afschaffen van het auteursrecht en de culturele conglomeraten tot nieuwe businessmodellen op het gebied van kunst en cultuur zal gaan leiden. Hiervoor dient volgens de auteurs niet alleen het auteursrecht afgeschaft te worden, maar moeten ook de culturele conglomeraten opgesplitst worden om zo een 'level playing field' voor kunstenaars te realiseren. Om dit doel te bereiken, stellen Van Schijndel en Smiers voor het mededingingsrecht te gebruiken en conglomeraten die een te dominante marktpositie hebben op te splitsen, en zo kleine en middelgrote marktpartijen meer kansen te geven.
Los van de vraag of dit realistisch is, verrijst onmiddellijk de vraag wie er uiteindelijk een besluit zou moeten nemen over wat een 'te dominante' marktpositie is. Helaas ontwijken Smiers en Van Schijndel deze vraag en speculeren ze liever over de gevolgen van een situatie zonder auteursrecht en culturele conglomeraten. Volgens hen zullen er zonder deze factoren meer kunstenaars en cultuurproducenten zijn die van hun activiteiten kunnen leven en gaat dit alleen ten koste van 'spektakelfilms' en bestsellers.
In de nieuwe situatie zonder auteursrechten en onbeperkte marketingbudgetten, worden bestsellers volgens Smiers en Van Schijndel vervangen door 'wellsellers' wat volgens hen een positieve bijdrage aan de culturele diversiteit gaat leveren. Op dit punt komt de naïviteit van hun redenering bijzonder duidelijk naar voren. Van Schijndel en Smiers wijten het door een klein aantal massaproducenten gedomineerde cultuuraanbod volledig aan de marktmacht van de culturele conglomeraten en veronderstellen dat het publiek – eenmaal van marketing verlost - opeens voor diversiteit zal kiezen. Het lijkt echter zeer twijfelachtig of dit een realistische veronderstelling is. Zouden er bijvoorbeeld minder Harry Potter-boeken verkocht zijn indien deze niet auteursrechtelijk beschermd waren en iedereen het recht had om deze in boekvorm te verkopen?
Uiteindelijk blijft er niet veel over van de beloofde nieuwe businessmodellen en grotere culturele diversiteit. Zelfs het voorstel om de culturele conglomeraten 'in vele mootjes te hakken' garandeert uiteindelijk niet dat auteurs die nu 'door het marketinggeweld uit de publieke aandacht weggeduwd worden' opeens aan hun werk gaan verdienen. Met deze doelstelling is op zich niks mis maar om dit te bereiken, kunnen we beter kijken naar hoe we de onderhandelingspositie van kunstenaars en culturele producenten ten opzichte van de 'culturele conglomeraten' kunnen verbeteren. En vooralsnog zal dat binnen de kaders van het auteursrecht moeten gebeuren.
Leesbaarheid | ++++
Theoretisch belang | ++
Praktische bruikbaarheid | +






